| 2008-45 Column: Kruisvereniging. |
“Zèède nog lid van den kruisvereniging?” vraagt Jan. Buiten is het koud, met winterse buien en temperaturen rond het vriespunt. De oude genever die Jan presenteert is een welkome opwarmer.
Terwijl hij van zijn genever drinkt vertelt Jan over het ontstaan van de kruisvereniging, waar zijn tante nonneke tot na de 2e wereldoorlog bij betrokken was. “Zo rond 1916 wier in onze contreien ’t Wit-Gele Kruis opgericht uit sociale overwegingen.” Ten tijde van de oprichting was het slecht gesteld met de gezondheidszorg en met de hygiëne in West-Brabant. Vooral de zuigelingenzorg was erbarmelijk, net als de thuissituatie als een moeder ziek werd. In die tijd was gezondheid vrijwel uitsluitend voorbehouden aan de bovenlaag van de bevolking. Notabelen en geestelijken richtten daarom lokale kruisverenigingen op. Vanuit de charitas gedachte en de cultuur van het Rijke Roomse Leven destijds. De ledenwerving verliep dan ook vooral via katholieke organisaties. Het Witte Kruis bestond al langer. Sinds 1875, vanwege de wet op besmettelijke ziekten die gemeenten destijds verplichtingen oplegde. Ondermeer tegen de volksziekte tuberculose.
“Ge versta-zeker wel da-zo’n slang nooit proper te maken was en da die koemelk in zo’n fles ook nie vrij van bederf was. Tante nonneke zèèj dan ook da mede daordör veul zuigelingen omkwamen vanwege darmproblemen en infecties.” Jan vertelt dat de kruisvereniging via het consultatiebureau voor zuigelingen daarom toen zelfs een poster verspreide: De heete zomer en de zuigelingensterfte. “Mar da’s allemaol vörbij. Nou motte alleen nog lid zèèn van den kruisvereniging om korting te krijgen. Bij de pedicure, de thuiskapster en bij ziekenfondsen gelijk het VGZ. Daor verdiende d’n premie van den kruisvereniging rap meej terug. Zo goed zelfs da-‘k d’r enkele flessen genever van kan kopen.. Dus buurman? Nog een borreltje tegen het kouwe weer?” Voor ik kan antwoorden zijn onze glazen alweer gevuld. We proosten. Op de kruisvereniging. Corné Brugman. De eerstvolgende evenementen:
|




















Even geduld ...


Ik vertel dat wij al ruim 36 jaar lid zijn van de kruisvereniging. Dat was destijds nodig voor de hulpmiddelen die ze verstrekten, zoals bedverhogers, bij de geboorte van onze kinderen. “Da’s nou wel anders, hé? Hedde eind oktober ook dien brief gekrege waarin ze zeejen da ze eigenlijk geen bestaansrecht meer ebbe? Al wa–da-ze bekâânt 100 jaor deejen, doen ze nou nie meer, hé?” zegt Jan sip. Het Wit-Gele Kruis was zijn leven lang een vanzelfsprekendheid. “Altij as-we-wa nodig oien, gelijk een po stoel, konden we daor terecht. Mar dien verdomde regering van ons mos zo nodig al ’t vertrouwde veranderen. Den taak van den kruisvereniging ebbe ze compleet om zeep geholpen. En ’t was zo schoon begonnen, hé?”
“Bij ons” vertelt Jan “was het vöral de zuigelingen- en kindersterfte die zörgen baarde.” Tante nonneke wist daar alles van. Zij vertelde vaak hierover. Veel ellende kwam voort uit de armoede. De mensen woonden met grote gezinnen in veel te kleine, vochtige huizen. De voeding was verre van perfect, net als het drinkwater uit regenputten. Een douche nemen of een bad was ongekend. Net als riolering en afvalverwerking. “Mar ’t ergste vond tante nonneke da veul vrouwen hun kinderen geen borstvoeding gaven!” Flesvoeding was relatief veel voorkomend in die tijd. Mede dankzij een huisarts in Schijndel die een opvallende oplossing daarvoor had. Hij adviseerde een grote fles met melk te vullen, welke verbonden werd met een lange rubberen slang die uitmondde in een speen. De zuigeling had daaruit heel de dag te drinken en de moeder moest de fles slechts bijvullen als die leeg was.