Deze teksten dienen gelezen te worden als een column èn zijn een 'vertaling' van de borrel- en kassa praatjes in onze gemeente. Ze dienen NIET gezien te worden als een weergave van de mening van de heemkundekring zelf! ~~~~~~~~~~~~ “Hedde weer een nieuw speeldooske?”vraagt Jan als hij me bezig ziet met mijn mobiele telefoon. Verbaasd kijk ik hem aan. Ik heb inderdaad een nieuw toestel, maar dat Jan dit bemerkt verwondert me. Zelf heeft hij nooit een GSM gehad, dus dat hij het verschil ziet tussen mijn oude en mijn nieuwe toestel is opvallend. “Ja, een mens moet met zijn tijd meegaan, hè” zeg ik. “Ge doet mar” antwoordt hij. “Ik eb da-nooit gedaon en ik mis niks.” Jan zegt dat zijn opa destijds in Frankrijk als militair kennis maakte met de optische telegraaf. “De wat?” vraag ik. Jan vertelt dat de optische telegraaf een apparaat was, uitgevonden door Claude Chappé. Het was een seinpaal met seinarmen. Door de stand van die armen te veranderen konden verschillende tekens worden weergegeven. Van te voren vastgestelde tekens welteverstaan. Net als vroeger met rookwolken en tamtam. De optische telegraafpalen stonden op vaste routes, zoals de route Parijs-Lille. Ver uit elkaar, waardoor je een verrekijker nodig had om ze te kunnen zien. Ze werden vooral gebruikt voor militaire doeleinden.
“Militaire innovatie!” mompel ik. Jan bevestigt dat veel innovaties zo tot stand kwamen. Innovaties die nooit lang dienst deden, omdat de behoefte aan informatie en de snelheid van informatie steeds nieuwere innovaties vergden. “Den opvolger van da ding was ook in het donker te gebruiken. De telegraaf op basis van een alfabet op basis van punten en strepen. Oftewel Morse: korte en langere stroomstoten. Da was praktisch, hé? Ge typte die codes op papier en een mesjien verzond vervolgens de tekst naar de ontvanger. Da-was rond 1835 het begin van onze moderne telecommunicatie.” Even praten we over de voortschrijdende techniek. Telegraaf, telex, telefoon. Jan vertelt hoe zijn zus in de jaren 30 kortstondig werkte als telefoniste. Ze moest de abonnees letterlijk en figuurlijk met elkaar doorverbinden, telkens als er in haar centrale een oproep binnenkwam. “Mar ze wier ontslagen, omda ze op een dag tegen een notabeel die doorverbonden wou worre zeej ‘ik doe da subit, mar ik mot nou eerst nodig pissen.’ Ja, ja, da kon nie in die dagen, hé? Lachend kwam ze het thuis vertellen, blij toe dattur waark in da benauwde kot gedaon was. Ze ging toen gewoon weer bij den boer waareke as dienstmeid.” Jan vertelt hoe snel het na de oorlog ging met de telefoon. In de periode 1945 - 1955 steeg het aantal aansluitingen van 300.000 naar 750.000. In de periode 1955 – 1979 werd het ongekende aantal bereikt van 4.500.000 abonnees. Ik vertel mijn ervaringen met digitale communicatie. Van Memocom in 1984, naar Viditel in 1986 tot Internet sinds 1993. Van mijn vaste autotelefoon in 1984 tot eerste GSM in 1998. “Ja en nou hedde weer een nieuw speelke” zegt Jan wijzend naar mijn Blackberry bold 9000. “Mar ge kunt er nog altij niks anders meej dan praote en bezien wa-dattur op dit moment bekend is. Ik wor pas nieuwsgierig as ge er den toekomst meej kunt vooruitzien. As-ge zo wijd zèèt gekomme, motte me roepen. Dan wil ik zien welke aandelen ik mot kope om binnen een paor maanden veul geld te verdienen!” Voor de zoveelste keer zet Jan de werkelijkheid met beide benen op de grond. Hoe lang laten we ons als consument nog gek maken? Om steeds het nieuwste te willen en waarvoor? Wellicht alleen omwille van vermeende status en het idee innovatief te zijn. Terwijl het allemaal tot op zekere hoogte niets anders is, dan oude wijn in nieuwe zakken.
Corné Brugman
De eerstvolgende evenementen:
|