Omdat ik mijn oude buurman al heel de dag niet heb gezien en hij zelfs zijn telefoon niet opneemt, vermoed ik het ergste. Gespannen ga ik op onderzoek uit naar zijn huisje. Het is muisstil op zijn erf. Zelfs de kippen en de geiten laten zich niet horen. Dat is een goed teken, denk ik. Want dan hebben ze zonder twijfel eten gekregen. De deur is zoals altijd niet op slot. In de bijkeuken is Jan niet te bekennen, evenmin in de woonkamer. Teneinde raad loop ik door de bijkeuken naar de stal. In het donker zie ik achterin, bij ‘t vroegere verkenskot, een kaarsje branden. Wanneer mijn ogen aan de schemering gewend zijn, zie ik tot mijn opluchting Jan zitten. Op zijn knieën, voor een oud vergeeld portret.
“Ja, ja buurman” zegt hij wanneer hij me heeft bemerkt. “Vandaag is het den jaardag van St. Gallus. Da-portret eb ik van mijn heeroom gekregen toen ik 18 jaor wier. Da’s bekâânt 72 jaor geleeje, hé? Mijnen heerom zeej, da-dit portret mij altij geestelijke kracht zou geven. Daorom prevel ik nou vandaog mijnen paternoster meerdere malen veur zijn portret. Want ik voel me de leste daoge precies wa-neerslachtig. Ja, ja, ’t val nie-meej hé, om oud te worre.”
Als de bladeren vallen en de dagen korten, hebben meer mensen last van een zwaar gemoed. Bij Jan is dat opvallend. Hij is altijd fit en opgewekt. “Da’s vaoker rond dezen tijd van het jaor. ’t Is rond dezen tijd da-ons moeder is gestorven. ‘k Eb daor altij veur gezörgd, hé? Ieder jaor dienk ik d’r weer aon. Dan ben ik altij uit mijn doen. Nou meer as andere jaore. ’t Is daorom da’k aon St. Gallus mos dienke en da’k zijn portret eb opgehangen in mijn stal. Het paternoster lezen geeft me weer rust. Verstaode?” St. Gallus, zo vertelt Jan, was één van de eerste priesters die in de 6e eeuw rondtrok om de heidenen te bekeren. Hij was leerling van de H. Columbanus, in het klooster van de H. Gomgallus te Bangor. Een relatie met verstrekkende gevolgen. Gallus was vlug van begrip. Vooral de Schriftuur lag hem goed. De Keltische Ieren hadden voor hun bekering al de zucht tot zwerven. Columbanus vertrok nu als één der eersten, met 12 volgelingen, de zee over om te kerstenen. Met in zijn gevolg Gallus, die toen nog geen priester was, naar verluid. Via Bourgondië trokken ze naar Austrasië. Door koning Theodebert werden ze beschouwd als ‘engelen Gods’. Ze mochten zich vestigen aan de oevers van het meer van Zürich. Dat liep verkeerd af, toen Gallus in zijn ijver een afgodentempel in brand stak van de Allemannen. Ze moesten vluchten naar Arbon, aan het meer van Constanz, waar ze niet alleen probeerden het volk te bekeren, maar ook werkten. Gallus breide daar visnetten. Een vredig leven dat maar kort duurde. De groep trok verder, maar Gallus bleef. Hij vestigde zich in een onherbergzaam oord waar ook diaken Hiltibold woonde, omringd door bossen met beren. Gallus maakte van takken een kruis, waar hij reliquiën aan hing en dankte God voor zijn keuze van dit vredig oord. Hier ontstond de St. Gallus legende. Op een nacht zat Gallus bij het kampvuur, toen er een beer kwam. St. Gallus bleef rustig en onbevreesd beval hij de beer hout te halen voor het kampvuur. De beer gehoorzaamde en vertrok daarna voorgoed.
“Dus, as ik nou leeuwen en beren zie gelijk dezer dagen, dan bid ik meej mijnen paternoster tot St. Gallus. Die zörgt er dan veur da-die leeuwen en beren uit mijnen kop verdwijnen.” Met enige schroom trek ik me terug. Ik laat Jan alleen met zijn gebeden. Tot vandaag had ik nooit eerder gehoord van St. Gallus. Als het medicijn tegen depressie en zwaarmoedigheid. Corné Brugman.
De eerstvolgende evenementen:
|